Als de wedstrijd begint ben ik zenuwachtig, ik kijk om me heen, naar de spelers van de tegenpartij, naar de mensen die langs de lijn staan, maar na het eerste balcontact glijdt alles van me af. Ik wil alleen maar voetballen.
Diepe bal. Ik ben snel als de wind. De back houdt me even vast aan mijn shirt, maar hij kan me niet uit balans brengen. Hij laat los en ik ben weg. De bal is te veel naar de zijkant. Ik houd hem binnen maar ik zie uit mijn ooghoek dat de back op de weg terug is. Hij maakt een sliding. Ik wip hem met de buitenkant van mijn rechtervoet over zijn gestrekte been en stap naar achter. Hij glijdt ver door. Ik heb tijd genoeg om naar de bal te lopen voor hij is uitgegleden en weer opgestaan.
Voetbal in Nederland is makkelijker dan in Afrika. Iedereen heeft een vaste positie, het veld is uitgestrekt en de mensen lopen weinig. Als je je man passeert kun je meteen tien meter lopen zonder dat iemand je aanpakt. Er zijn geen kleine kinderen die je voor de voeten lopen, geen opgeschoten jongens die tegen je enkels schoppen. De helft van de jongens met wie ik vroeger voetbalde, zou in dit team een ster kunnen zijn.
Pino snelt naar de rand van de zestien. Ik leg de bal vanaf de zijlijn panklaar op de penaltystip, over de laatste man heen. Pino heeft tijd om aan te nemen en kiest een hoek. De keeper heeft geen kans. Pino is misschien nonchalant, maar hij kan wel voetballen. Hij tikt me tegen mijn bil als we terugsjokken naar de middenlijn. 'Nice pass, bro.'
Naar het begin - Doe mee - Lees verder >>
|